home actueel over iconen geschiedenis fotogalerie

icoonbeschrijving

contact

GESCHIEDENIS VAN DE ICONOGRAFIE.

 

 

Van Rome naar Byzantium tot het Grote Schisma in de Kerk.

 

De geschiedenis van de iconen is sterk verbonden met de geschiedenis van Byzantium. Het christendom ontstaat in de Joods wereld als een nieuwe richting, maar ook in een wereld die onder grote invloed van de Griekse beschaving verkeert. Hierin mengen zich Joods, Hellenistische en Romeinse invloeden en zij bepalen uiteindelijk de vorm waarin het christendom zich zal ontwikkelen. De allereerste Christenen moesten hun geloof belijden in een tijd dat zulks niet was toegestaan door de Romeinen, in een tijd dat ze vervolgd werden en wrede straffen moesten ondergaan  indien ze werden opgepakt. Voor de eerste Christenen golden de Tien Geboden van Mozes, met daarin het tweede gebod, het verbod op het maken van beelden of beeltenissen. Toch gebruikten de eerste Christenen wel degelijk vormen van beeldende kunst om uitdrukking te geven aan hun geloof. De eerste uitingen daarvan vinden hun oorsprong in de sepulcrale kunst (grafkunst) in bijvoorbeeld de catacomben in Rome. Tevens wordt deze periode gekenmerkt door het gebruik van symbolen. Denk bijvoorbeeld aan het kruis, de vis (ICHTUS). In dit woord zitten de beginletters van enkele namen en titels van Jezus verborgen: Iesous CHristos THeou Uios Soter (Jezus Christus, Gods Zoon, Verlosser), een soort generiek wachtwoord om aan te geven dat je Christen bent.

Constantijn

De Romeinse Keizer Constantijn I (de Grote) bekeert zich waarschijnlijk in 312 tot het christelijke geloof, daarin aangespoord door zijn moeder Helena en in 313 laat Constantijn het Edict van Milaan uitvaardigen, waarin vrijheid van godsdienst wordt vastgelegd. Dat was vooral belangrijk voor de Christenen die hun godsdienst nu in alle openheid konden belijden. In 330 verplaatst Constantijn de hoofdzetel van het Romeinse Rijk van Rome naar het Midden Oosten; hij bouwt de oude Griekse kolonie Byzantion uit en benoemt haar tot Nova Roma (Nieuw Rome). Al snel werd deze zetel vernoemd naar haar stichter: Constantinopel. De reden voor deze verplaatsing moet worden gezocht in de vele aanvallen op het westerse rijk, de talrijke burgeroorlogen en een zwakke economie. Constantinopel lag aan belangrijke handelsroutes naar het oosten en het noorden. Door de verplaatsing van de zetel van Rome naar Constantinopel werden de Christenen nog meer geconfronteerd het kunstvormen, uit het Midden Oosten: Egypte, de landen in het oostelijke Middellandse Zeegebied: Turkije en Arabië. Constantinopel werd het nieuwe Rome en werd later, in 395, toen een scheuring ontstond in het Romeinse Rijk, omgedoopt in Byzantium en het Byzantijnse Rijk was geboren.

 

Constantinopel werd het centrum van de kunstontwikkeling en nog meer van de bewustwording van het begrip schoonheid, de innerlijke verlichting in de beeldende kunst. Er worden kerken gebouwd en bezoekers brengen relieken mee die worden ondergebracht in deze kerken en daar vereerd. Bij een groot aantal Christenen ontwaakt de behoefte aan afbeeldingen om op die manier God en de heiligen zichtbaar en tastbaar te maken. Dan ontstaat vanuit de beeldende kunst, die zich wel bezighoudt met het vervaardigen van beeltenissen van de Romeinse keizer, een soort coalitie van waaruit men zich kon richten op beeltenissen van Christus en Maria en de heiligen uit die tijd. De Romeinse keizer kon niet overal tegelijkertijd zijn in zijn rijk. Daarom maakte men beelden, waarvan men zei dat zij de keizer vertegenwoordigden tijdens zijn afwezigheid en het volk bracht hem hulde door niet zijn beeld maar zijn persoon te vereren. Dat werd overgenomen door de Christenen en werd gebruikt om de verhouding van de gelovige tot Christus zelf uit te leggen.

Johannes van Damascus

Men vereerde niet de afbeelding, maar de persoon die is afgebeeld. De periode van 330 tot 726 was het eerste hoogtepunt van de iconografie: kerken, openbare gebouwen maar vooral de huizen werden voorzien van muurschilderingen en iconen. De techniek werd verbeterd en de kwaliteit nam sterk toe. In die periode nam ook de strijd toe tussen voor- en tegenstanders van beelden en iconen. Als triest dieptepunt geldt dat in 725 de toenmalige keizer Leo III opdracht gaf het Christusbeeld bij de poort van het keizerlijk paleis te vernielen en weg te halen. Dat is het begin van het eerste iconoclasme. Tijdens het concilie van Constantinopel in 754 wordt het iconoclasme officieel ingesteld. Tijdens de ‘Beeldenstorm’ worden vele beelden en iconen vernietigd. Er is nog maar weinig bewaard gebleven uit die tijd. Wat nog rest zijn iconen en beelden die werden ondergebracht in kloosters en bewaakt door de monniken. De bekendste verdediger van iconen was Johannes van Damascus, die nog steeds de patroon is van de oosterse iconenschilders.

Dit eerste iconoclasme, meteen het hevigste, duurt tot 787. Keizerin Irene, een vereerster van iconen, roept in 787 het tweede concilie van Nicea bijeen en stelt deelnemers de vraag of men nu wel of geen beelden of afbeeldingen mag vereren. De uitspraak was de volgende: ‘geen latreia, wel dulia’ ofwel géén aanbidding, maar verering is toegestaan.

Deze periode van iconodulisme (verering van iconen) duurt tot 843 en wordt gekenmerkt door steeds weer oplaaiende periodes van iconoclasme. Vooral de keizers Leo V en Theophilos waren aanstichters van de beeldenstrijd. Na de dood van Theophilos in 842 werd keizerin Theodora regentes voor haar minderjarige zoon, keizer Michael III. Bij het begin van haar regentschap herriep zij dadelijk alle iconoclastische wetten en zette zij de patriarch Johannes Grammaticus af. In maart 843 liet zij de nieuwe patriarch Methodius I een concilie bijeenroepen dat de bepalingen van het Tweede Concilie van Nicea (787) opnieuw bekrachtigde. Het herstel van de iconen als voorwerpen van verering wordt tot op heden jaarlijks door de Orthodoxe Kerk herdacht met de Triomf van de Orthodoxie (de eerste zondag vaan de Grote Vasten) en Theodora zelf werd voor haar aandeel hierin heilig verklaard.

Klooster van Stavronikita, Athos

Al vroeg kende men in de Kerk de speciale positie van drie bisschoppen: die van Rome, van Alexandrië en van Antiochië. Deze hadden de titel van Patriarch. Later kwamen daar nog twee patriarchen bij; de bisschop van Constantinopel en die van Jeruzalem. Lange tijd had de bisschop van Rome de hoogste status als opvolger van Petrus en vanwege het feit dat Rome de hoofdstad was van het Romeinse Rijk. De kerken van het oosten en het westen gingen elk hun eigen weg. De directe aanleiding tot het schisma waren de verschillen over de pauselijke autoriteit en de filioque doctrine. In de Latijnse kerk gaat de H. Geest uit van de Vader en de Zoon, de oosterse kerken zeggen dat de H. Geest uitgaat van de Vader via de Zoon en zij accepteren de tekst ‘en de zoon’ niet omdat deze toevoeging niet is goedgekeurd door een oecumenisch concilie. Daarnaast speelde toen al de celibaatskwestie (in het oosten geldt het celibaat alleen voor bisschoppen).In 1054 excommuniceerden paus Leo IX en de patriarch van Constantinopel Michaelis Caerularius elkaar wederzijds. Daarmee was de scheiding tussen oost en west een feit. Op 27 november 1095 roept Paus Urbanus II de Synode van Clermont bijeen en roept daarin op tot gewapende herovering van de Christelijke heilige plaatsen en heiligdommen en voornamelijk van Jeruzalem op de islamitische heersers.

Een van de belangrijkste onderliggende argumenten was om de macht van West-Europa over het oosten te herstellen en meer pauselijke invloed te doen gelden.

 

Griekenland

 

In de periode vlak na het herstel van de iconenverering worden in opdracht van de toenmalige patriarch van Constantinopel missionarissen naar de Balkan en Rusland uitgezonden om de gebieden rondom de hoofdstad te kerstenen. Naarmate het klimaat om te werken in Byzantium verslechterde, trokken velen weg uit de hoofdstad. Een groot deel trok naar Macedonië, Griekenland, Kreta en Cyprus en vestigde zich in de nabijheid van de door missionarissen gestichte kerken en kloosters. Ohrid en Thessaloniki werden belangrijke centra omdat zij aan alle handelswegen lagen. Vele schilders vluchtten naar Kreta, een knooppunt van handelsroutes waardoor vele nationaliteiten onderdak vonden op dit eiland.

Fresco in klooster op Athos

Kreta stond aan het begin van de 13e eeuw onder heerschappij van de stadstaat Venetië. Door samensmelting van de verschillende culturen ontstond een zogenaamde Veneto-Kretenzische stijl in de iconografie. In de 17e eeuw wordt ook Kreta door de Turken ingenomen en stop de productie van iconen. De invloed op de iconografie, echter, is zeer groot geweest. Op het schiereiland Athos met de heilige berg Athos vestigden zich al in de 9e eeuw monniken en werden kloosters gesticht. De Byzantijnse keizer verleende deze monniken diverse privileges en vrijstelling van belastingen, waardoor Athos een monnikenrepubliek werd. Omdat diverse volkeren hier hun klooster stichtten, werd Athos al snel een soort smeltkroes van de orthodoxe wereld. De kloosters werden versterkt en ontwikkelden zich tot vluchtplaats voor de monniken en schilders. Bekend is het ‘schilderboek van de Berg Athos’ (Hemeneia) van Dionysios van Fouma, een boek met voorschriften en voorbeelden waaraan de iconenschilder zich dient te houden.

Een tweede vluchtplaats werden de Meteora kloosters in het midden van het vasteland, mede gesticht door uit Athos gevluchte monniken. Hier hoog in de zandstenen bergen ontstonden tientallen kloosters die moeilijk bereikbaar waren. Hier zijn nog steeds prachtige fresco’s te zien alsmede oude iconen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Holenklooster Kiev

Rusland

 

Kievo Rus was een enorm groot gebied dat was samengesteld uit verschillende zelfstandige vorstendommen die economisch, politiek en door huwelijken aan elkaar waren verbonden. Dit gebied lag strategisch op kruisingen van handelsroutes met Byzantium, met Azië en met de Baltische Staten in het noorden. Kiev lag in het midden van al deze vorstendommen en vorst Vladimir van Kiev wilde graag delen in de grootsheid van Byzantium. In 988 bekeerde hij zich tot het orthodoxe geloof en een jaar later dwong hij zijn onderdanen zich te laten dopen in de rivier de Dnjepr, met als gevolg dat in Kievo Rus het christendom staatsgodsdienst was geworden. De werkelijke reden was een politieke. De keizer van Byzantium had last van een interne opstand en vroeg militaire hulp aan Vladimir. In ruil daarvoor werd Anna, de zus van de keizer uitgehuwelijkt aan Vladimir, die zich hiervoor moest laten dopen. De iconografie kwam tot ongekende bloei doordat Byzantijnse meesters naar Kiev werden gehaald en Russische schilders gingen opleiden. In 1051 werd het Holenklooster in de heuvels bij Kiev gesticht door de monniken Antonius en Theodosius. De legendarische schilders Alimpij en Gregorij werden hier door Byzantijnse meesters opgeleid. Dit klooster draagt de naam Lavra, een eretitel waarmee wordt aangegeven dat het een van de vier belangrijkste religieuze centra in de Russisch-orthodoxe kerk is.

 

In 1169 wordt Kiev geplunderd door grootvorst Bogoljubski van de staat Vladimir-Suzdal. Dat betekende het einde van de eenheid in Kievo Rus en de politieke macht verschoof naar het noorden.

Vladimirskaja

De orthodoxe kerk bewoog mee en Vladimir ontwikkelde zich tot een eigen centrum van religieuze kunst. Een uiterst belangrijk icoontype is de Vladimirskaja, de Moeder Gods van Vladimir, de oer-icoon van Rusland. Deze icoon werd in 1130 in Byzantium geschilderd en werd in 1135 per schip vervoerd naar Kiev als geschenk van de Byzantijnse keizer voor het volk van Kiev. Bogoljubski heeft deze icoon meegenomen naar Vladimir, waar zij met nieuwe versieringen werd geplaatst in Hemelvaartskathedraal. In 1395 werd deze icoon in een processie naar Moskou gedragen om het gevaar van een Mongoolse invasie af te wenden. De Mongolen trokken zich terug en de icoon werd hartstochtelijk vereerd in Moskou. Ze is daar nooit meer weggegaan. De mensen van Vladimir moesten zich tevreden stellen met een kopie.

 

Novgorod in het noordwesten van Rusland ontwikkelde zich tot een belangrijke handelsstad aan de routes naar het westen richting Baltische staten. Tijdenlang werd Novgorod door zijn ligging te midden van moerassen met rust gelaten. De schilderkunst kon zich in alle rust ontwikkelen. Toen de aanval van grootvorst Bogoljubski eind 12e eeuw was afgeslagen, nadat de icoon van Moeder Gods van het Teken op de stadsmuren was geplaatst, werd dit de beschermicoon van Novgorod. In de 14e eeuw kwam een aantal Byzantijnse meesters aan in Novgorod. Een van hen was Theofanus de Griek, later genoemd Feofan Grek. Hij bleef 10 jaar in Novgorod; daarna vertrok hij naar Moskou. Feofan Grek is enorm belangrijk geweest in de ontwikkeling van de iconografie in Rusland.

Triniteit Roebjov

Moskou

 

Feofan Grek werkte vanaf 1395 in Moskou en werd vooral bekend door zijn expressionistische manier van schilderen. In een van de kathedralen was de monnik Andrej Roebljov een van zijn leerlingen. Deze zou uitgroeien tot de beroemdste van de Russische iconenschilders. Zijn bekendste icoon is de Triniteitsicoon, de heilige drie-eenheid of ook wel genoemd het gastmaal van Abraham. Deze icoon is nog te zien in het Tretjakov Museum in Moskou. Roebljov is bekend om zijn ingetogen, serener en transparante manier van afbeelding. Een van zijn leerlingen was de leek Dionissij, wiens iconen bekend zijn geworden om hun sierlijkheid en plechtige aanzien. Zonder andere meesters tekort te doen zijn dit de toonaangevende grootmeesters in de Russische iconenkunst. Iconenscholen kenden een ongekende bloeitijd in de middeleeuwen. Ook buiten Moskou bloeiden vele iconenscholen. In de 17e eeuw was de vraag naar iconen zo groot dat men westerse kunstenaars naar Rusland haalde. Ze werkten vooral aan het hof van de tsaar en al snel werden de westerse invloeden zichtbaar in de iconen. Een groep conservatieve schilders, die dit een inbreuk vonden op de traditionele manier van schilderen, stichtten ten noordoosten van Moskou hun eigen iconenwerkplaatsen, de zogenaamde oud-gelovigenateliers. In de 19e eeuw was de vraag naar iconen zo groot dat het schilderen werd verdeeld in fasen, waarbij meerdere schilders in een soort lopende bandproductie aan een icoon werkten. Dat kwam de kwaliteit niet ten goede. De Revolutie in 1917 betekende het einde van de iconenkunst. De staat sloot de kerken en de schilders mochten nog enkel profane werken maken. Veel iconen werden naar het buitenland gesmokkeld en daar verhandeld. Tegenwoordig is er een verbod op de uitvoer van oude iconen en rijke Russen spannen zich in om het cultureel erfgoed te verzamelen en weer terug te brengen naar de oorsprong.