home actueel over iconen geschiedenis fotogalerie icoonbeschrijving contact

HET VERVAARDIGEN VAN EEN ICOON.

 

De beschrijving hieronder geeft weer hoe een icoon van de Moeder Gods van Jaroslav, die in de Sint-Christinakerk aan de Vroenhof in Eijsden hangt, tot stand is gekomen. Deze icoon is in het najaar en de winter van 2006 door Leon Joosten geschilderd en in 2007 geschonken aan de parochie van Sint-Martinus Breust Eijsden. Pastoor Theo Dohmen heeft deze icoon op zondag 13 mei 2007gewijd tijdens een plechtige eucharistieviering die werd opgeluisterd door de Vroenhofzangers. Ze kreeg haar tijdelijke plek achter in de Sint-Christinakerk.

 

Het schilderen van een icoon begint met het selecteren van het houten paneel. Het hout mag geen hars bevatten en moet goed gedroogd zijn. Tegenwoordig gebruikt men ook wel multiplex, omdat het niet kromtrekt. In de plank kan een middenstuk worden uitgediept. Vroeger gebeurde dit met een guts, tegenwoordig wordt daarvoor een boven frees gebruikt. Het te beschilderen oppervlak wordt ingekerfd met een mes. Dat is nodig om een betere hechting met de lijm te bewerkstelligen. De huidenlijm die wordt gebruikt is verkrijgbaar in korrels of bladen, die een nacht wellen in water en daarna worden verwarmd. De eerste laag lijm wordt warm opgebracht. Na een nacht drogen wordt het katoen of linnen opgebracht met dezelfde lijm, die weer wordt opgewarmd. De doek wordt in de lijm gedoopt en nat opgebracht, van binnen naar buiten gladgestreken en daarna weer voorzien van een laag lijm.

Het paneel moet een dag drogen; ondertussen wordt de levkas klaargemaakt. De levkas vormt de krijtlaag die op het paneel wordt aangebracht. De levkas bestaat uit een samenstelling van huidenlijm en krijt (meestal champagnekrijt) dat, opgelost in de lijm, een papje vormt. De levkas wordt in 8 tot 10 lagen opgebracht op het paneel. Na elke laag dient het paneel te drogen. Als voldoende lagen zijn opgebracht, wordt het paneel met fijn schuurpapier gepolijst totdat een gladde ondergrond is ontstaan. Dit vormt de basis voor de tekening van de icoon.

 

De tekening wordt meestal gemaakt op calqueerpapier. Als voorbeelden worden afbeeldingen van bestaande iconen gebruikt, die in schilderboeken of platenboeken te vinden zijn. De tekening moet voldoen aan de normen die eeuwen geleden zijn opgesteld.

Figuur 1

Als de tekening klaar is, moet die worden opgebracht op het paneel. Dat gebeurt door de achterkant van het calqueerpapier in te wrijven met droog rood pigment (Terra di Siena of Engels rood), waarna de tekening kan worden doorgedrukt op het paneel. Soms wordt de tekening met een kraspen ingekrast om bij het schilderen de lijnen te kunnen volgen. Ervaren schilders doen dat vaak niet meer.

Als eerste worden daarna die delen die men wil vergulden voorzien van bladgoud, Daarvoor bestaan verschillende technieken. Op deze icoon is de vergulding met mixtion toegepast. Een speciale lijm wordt verdund met water opgebracht op die delen die worden voorzien van goud. Als deze lijm nagenoeg droog is, worden de blaadjes bladgoud (23 ¾ karaat) opgelegd en als de delen zijn bedekt, ingewreven opdat een goede en stabiele hechting ontstaat. Omdat deze laag erg fragiel is, wordt ze meteen voorzien van een beschermlaag van schellak. In figuur 1 is het resultaat daarvan te zien.

Voor het schilderen wordt gebruik gemaakt van pigmenten in poedervorm. Als bindmiddel wordt eigeel gebruikt dat wordt vermengd met een kleine hoeveelheid keukenazijn en water. Dat mengsel is een paar dagen bruikbaar. Daarna moet het opnieuw worden aangemaakt. Aan een paar druppels eigeelmengsel wordt pigment toegevoegd en verdund met water (meestal in de verhouding 1 deel eigeel en 3 delen water). De verf die dan ontstaat, moet meteen worden gebruikt, omdat deze redelijk snel uitdroogt.

In het algemeen wordt gebruik gemaakt van penselen van marterhaar of eekhoornhaar. Men schildert van donker naar licht, dus als eerste worden de donkerste kleuren opgebracht, waarna de zogenaamde oplichtingen met een lichtere kleur worden aangebracht.

Figuur 2

In figuur 2 is de bovenkleding van Maria na de basislaag al voorzien van een eerste oplichting. Het bovenkleed van het kind bevat enkel de basislaag en moet nog worden opgelicht. Oplichten kan twee tot drie lagen plaatsvinden, al naar gelang het inzicht van de schilder.

In figuur 3 is de bovenkleding van zowel moeder als kind opgelicht. Bij het kleed van het kind is dat gedaan met goud. Ook al te zien is de basislaag van de huiddelen. De zogenaamde sankir, ook wel grondinkarnaat genoemd, is qua mengsel afhankelijk van de school van het voorbeeld dat wordt geschilderd. Bij deze icoon is dat een mengsel van gebrande siena, gele oker en een puntje zwart. Dat wordt in een dichte laag aangebracht en moet goed droog zijn, voordat men verder kan gaan met het schilderen van gezicht en ledematen.

De hoofdlijnen van het gezicht (de wenkbrauw, het bovenste en onderste ooglid, de neus en de middenlijn van de mond) worden met een donkere kleur aangebracht. Vanuit die basis worden de volgende oplichtingen geschilderd, waardoor het gezicht zijn definitieve vorm gaat krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 3

Figuur 4

De hoogste oplichtingen, de zogenaamde ozhiviki, worden als laatste opgebracht. (Zie figuur 4). De icoon is pas af als ook het opschrift is aangebracht. Dat verleent de icoon de geestelijke aanwezigheid van de afgebeelde persoon of personen. In deze icoon zijn de opschriften veelgebruikte afkortingen bij de Moeder Gods.

MR ΘY: afgeleid uit M(HTH)R = MR en Θ(EO)Y en betekent Moeder Gods; bij het kind staat

I(HCOY)C = IC en X(PICTO)C = XC en dat betekent Jezus Christus.

(Zie figuur 5)

 

 

De wijding in de kerk tijdens een eucharistieviering maakt de icoon tot een religieus gebruiksvoorwerp. (Zie figuur 6)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 5

Figuur 6